Hebban olla uogala ...
Indeling:
Pennenprobeersel of kunstwerk?
(tekst: DW)
Ola vogala, jaja, dat zal wel, maar ondertussen wel geen kiekenbillen in curryroomsaus
J.M.H. Berckmans, in: Andy Huismans, Levende Schrijvers (Antwerpen, 2004), blz. 10.
M. Schönfeld, 'Een Oudnederlandse zin uit de elfde eeuw', 1933, p. 1-9 schreef voor het eerst over het versje 'hebban olla uogala" en was toen de oorzaak van een schokgolf door de neerlandistiek. Echte sensatie in het vakgebied.
Het versje werd ontdekt door "de bekende anglist" Kenneth Sisam in 1931, toen hij een onderzoek deed naar het handschrift Bodley 340. Op het schutblad trof hij een losse krabbel aan, die geschreven was door een hand uit de tweede helft van de elfde eeuw. In het tijdschrift The Review of English Studies publiceerde hij over zijn vondst. Hij vermoedde dat de "bewuste krabbel" Oudnederlands was en hij nam daarover contact op met prof. Swaen die zich op zijn beurt tot M. Schönfeld wendde. Sisam schreef overdeze regel: "The Latin sentance looks like a fragment from one of the colloquies which were used to teach Latin". Schönfeld onderzocht de tekst en kwam, met betrekking tot het ontstaan van de tekst tot een andere conclusie (1933, p. 8):
Is het misschien een verzuchting van een Vlaamse monnik in Engeland, die bij zijn onderricht aan een jonge landgenoot zijn heimwee naar zijn vaderland in deze variatie op Jezus' woorden [bedoeld wordt Matth. 8: 20: "De vossen hebben hun holen en de vogels uit de lucht hun nesten"] uitte?
Jac. van Ginneken werd enkele jaren later bij het lezen van het artikel van Schönfeld helemaal lyrisch en was verontwaardigd over "den ... nu juist niet erg gevoeligen titel" van dat artikel. Hij (1936, p. 54) kon onmogelijk instemmen met de interpretatie van Schönfeld. Hij zag de tekst als een "een prachtig eenvoudig minnedichtje", Het gedichtje bestaat uit twee vershelften, die zoals alle Oudgermaanse verzen, door stafrijmen aan elkaar vastzitten. Van Ginneken meende
dat wij hier met een minnedichtje van een Scholasticus of student te doen hebben, die in twee talen denkend en schrijvend en voelend in de maand Mei, als volgens het M.E. volksliedje 'alle voghele legghen een ey': 's morgens heeft gezien hoe naast zijn dakkamervenstertje twee zwaluwen of musschen reeds zijn begonnen, hun nestje te bouwen, en die nu onder zijn schrijfwerk in de boekerij - uit echt-menschelijk verlangen naar het huwelijk - zijn vollen lust bekent en zijn lief vermaant, om maar spoedig dat schoone vogel-voorbeeld te volgen en in een knus huisje te gaan samenwonen (1936, p. 56).
Van Ginneken zag ook in zijn verbeelding hoe dat zinnetje werd opgeschreven: "Och, gelijk het zoo vaak gebeurde", meende hij eenvoudig. De schrijver heeft het schutblad van dit handschrift, dat om een of andere reden op zijn lessenaar lag, als een blocnote gebruikt, en daarop eerst in het klad dit versje neergeschreven, om het daarna zonder twijfel op perkament in mooie letter over te schrijven "voor de Jonkvrouw van zijn hart". Van Mierlo (1955) was het was van mening dat het zinnetje een reminiscentie moest zijn van een oud minnelied en deelde in grote lijnen de opvatting - maar dan ontdaan van het romantisme - van Van Ginneken:
(...) of slechts de aanvang van een minedicht, van een in Engeland uitgeweken Westvlaamschen student, die over zijn boeken gebogen, in de blije Mei, als alle vogels hebben een ei, aan de geliefde denkt: vol naïef verlangen, met de smachtende h der vier gevoelige stafrijmen".
Maurits Gysseling (in Corpus II, 1, p. 127). schreef over het Liefdeversje:
Op een dag had men in het abdijscriptorium te Rochester nieuwe inkt bereid en nieuwe pennen gesneden. Om ze te proberen, schreven de monniken, die daar werkzaam waren, uit het geheugen op een blootliggend boek allerhande flarden tekst neer, die hun toevallig te binnen schoten. Over en weer reikten zij elkander de pennen toe. Een van hen was uit het Nederlandse taalgebied afkomstig. Naast diverse andere tekstfragmenten ... pende hij ook een versje in zijn moedertaal neer, dat hij zich uit zijn jeugd herinnerde. Onder zijn medebroeders bevonden zich ook Engelsen ... . Omdat zij het versje niet of onvoldoende begrepen, schreef hij de Latijnse vertaling erboven. Een van de andere monniken ... vond het zo leuk, dat hij het begin van de Latijnse vertaling zelf ook eens overschreef.
Een afwijkend standpunt nam G. Colmjon in in zijn Oudsaksische kroniek That Thusendigste Jâr - door Schönfeld "dat moderne Oeralindaboek" (1958-9, p.3) genoemd. Colmjon kwam tot de conclusie (1957, p. 10), dat er "bij de ontdekte regels geen woord Oudnederlands is". Het "malle hinase" verving hij door buan "als Ouds. Woord in de glossen van Gregorius' Homiliën beantwoordend aan construitur". Voorwaarde was dan wel, dat "degene die hem op het schutblad schreef" een b niet van een h kon onderscheiden, een u voor een n aanzag en een n voor se. Nanog enkele veranderingen in de tekst, kwan Colmjon tot de "oudsaksische tekst": Hebban alle(ro) vogala nestas begunnan buan ik anda tha (1957, p. 12). Schönfeld maakte korte metten met Colmjon. " Wanneer men er niet tegen opziet om 'het malle hinase' (: lt. Nisi) te vervangen door buan, is alles mogelijk", schreef hij, "het lijkt mij dan ook overbodig, op dit betoog in te gaan". Ook op deze pagina zullen wij Colmjon niet betrekken bij onze beschouwing over dit liefdesversje.
Caron (1963, p. 270) denkt "dat de schrijver een glimlach niet zou hebben kunnen onderdrukken als hij geweten had, dat er eenmaal over de enig-juiste bedoeling van zijn kunstig taalbouwsel op zo verschillende wijzen zou geschreven worden". Toch was Caron vervuld "met geen geringe bewondering voor het kunstwerk en zijn maker" (1963, p. 258).
De tekst

De tekst luidt als volgt (geciteerd naar Corpus II, 1, p. 129):
Quid expectamus nu[nc]1
Abent omnes uolucres nidos inceptos nisi ego & tu
Hebban olla uogala nestas hagunnan2 hinase hi[c]3
[e]nda4 thu uu[at] unbida[t]5 g[h]e nu.
noten
de verschillende lezingen
Schönfeld (1933, p. 1) ontving van Sisam de volgende regels: Abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu. En daaronder geschreven: Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi anda thu. Bijna 25 jaar later kon hij (1958/9, p. 1) aan de hand van een 'ultra-violette foto' van Gysseling en Koch (in Diplomata Belgica [1950], p. 397) een verbeterde - "men mag aannemen definitieve" - lezing geven:
;;;;;;quid expectamus nu[nc]
Abent omnes uolucres nidos inceptos nisi ego et tu
Hebban olla uogala nestas bigunnan hinase hi[c]
[e]nda thu uug .....umbiada....e nu
Rector celi nos exaudi ut dignare nos saluare
De belangrijkste veranderingen waren dus: bigunnan in plaats van hagunnan en enda in plaats van anda.
Beschrijving van het handschrift na een nieuw onderzoek waarbij gebruik werd gemaakt van ultraviolette stralen.
Bigunnan: de tweede letter is wel i en niet a; i is overal vertical (zoals hier), de tweede haal van de a daarentegen schuin. Misleid door een schuin omhooglopend haaltje vóór de i, heeft Sisam a gelezen; een dergelijk overtollig haaltje verbindt ook de twee beentjes van de eerste letter van uug: gevolg van het onvoldoende opheffen van de pen? De eerste letter is wel b, niet h, want zij is onderaan hoekig gesloten (cf. de eerste b in hebban, in tegenstelling met h in hinase).
hic: de derde letter is uitgesleten doch nog heek vaag zichtbaar.
enda: de eerste letter lijkt wel een e te zijn; cf. de e in rector.
.mbada: de a na b is geëxpungeerd en een i bovengeschreven.
Caron (1963, p. 256) stelde voor na thu te lezen: uuat umbidan (unbidan) uue nu . Schönfeld is niet ervan overtuigd, dat de juiste lezing nu is. Ook had Schönfeld bezwaren tegen het wegwerken van de g van uug. Caron, die in zijn artikel de parallellie tussen de Latijnse en de Nederlandse tekst bespreekt, houdt echter wel vast aan hagunnan in plaats van bigunnan. Zijn argument is de parallellie van inceptos - hagunnan met Abent - Hebban. Hagunnan past beter dan bigunnan bij inceptos door het vocalische begin, want de h is stom., verder zag hij de c en g en de versprongen nasaal n.
taal
Weinig onderzoekers twijfelen aan het dialect waarin het liefdesversje is geschreven. Voor Caron (1963, p. 255) is het versje in het West-Vlaams. Gijsseling en Koch spreken van Oudwestnederlands, Schönfeld van Oudwestnederfrankisch, waar Caron zich overigens ook in kan vinden omdat het West-Vlaams onder het Oudwestnederfrankisch valt "en veel voor de engere benaming pleit".
datering
De ontdekker van het liefdesversje Sisam dacht aan de helft der elfde eeuw. Gijsseling en Koch kwamen na bestudering van het handschrift op het derde kwart van de elfde eeuw. Schönfeld vond de datering onbelangrijk "Indien onze regels een citaat zijn uit een ouder geschrift".Van Mierlo meende dat de regels een reminiscentie van een minnedicht waren, die in de negendeof tiende eeuw waren ontstaan. Caron (1963, p. 256) houdt het op "na de eerste helft" van de elfde eeuw.

Olla uogala aangebracht in het vroegere gebouw van de universteitsbibliotheek
aan het Rapenburg te Leiden (foto Stichting Tegenbeeld, Leiden)
Lijst van de Oudnederlandse woorden
anda of enda ¶
en. Schönfeld 1933, p. 5 meent in anda een ingvaeoonse vorm te zien. And is de normale vorm in het ags. en het ofri. en in het os. In het os. en het ofri. komt ook een vorm ande en anda voor. Dit anda verschijnt in het ofri. in mss van de 13de en de 14de eeuw en verder een keer in het os. Een zekere Sehrt (in 'Zur Geschichte der westgerm. und' (1916, p. 25 e.v.)) trok de conclusie dat anda in het ofri. een jongere 'neubildung' is, ontstaan door 'anlehnung aan anda = an tha, en zodoende formeel hiermee met de prepositie anda samengevallen. Schönfeld (1933, p. 5) vond dit een 'gewrongen verklaring' die door deze plaats niet aan waarschijnlijk wint. Beter is het uit te gaan van een ingvaeoons anda, dat in het ofri. naast het hieruit ontwikkelde ande zich nog lang heeft gehandhaafd, althans in het schrift. Gysseling in Corpus II, 1, p. 128) twijfelt of er enda danwel anda staat. Door uitslijting is dat niet meer uit te maken. Mocht er een a gestaan hebben, dan hoeft dat nog niet te wijzen op Engelse invloed (Oudengels and), want ande treedt naast ende nog op in een oorkonde van de graaf van Holland van 1268, die voor Delft was bestemd (in Corpus I, p. 127-128). Caron 1963, p. 264 vindt anda niet zo waarschijnlijk. Zo'n begin-a komt veel minder frequent voor dan een begin-e en "daar we zeker niet met een zwak geaccentueerde vocaal te maken hebben" bestaat er geen enkele reden om aan anda de voorkeur te geven. "Het is dan beter gewoon enda te reconstrueren. De slot-a heeft wél zwak accent, is tevens duidelijk leesbaar en past bij de gewoonte van den [sic] schrijver".ghe ¶
gehagunnan ¶
begonnen. Gysseling (Corpus II, 1, p. 128) stelt dat de overtollige h in hagunnan en in hic overeenstemt met het schrijfgebruik in Frans-, West- en Oost-Vlaanderen en Zeeland, waar de h geen foneem meer was . Ze werd dan ook geschreven waar ze niet en weggelaten waar ze wel hoorde te staan. Ook Schönfeld (1933, p. 3) wijst op het West-Vlaams, wanneer hij de voorgevoegde h in hagunnan bespreekt. De verdwijning van de h voor vocalen is, volgens hem, een karakteristieke trek van dit dialect. Hagunnan wordt - overigens zonder h - ook aangetroffen in het Oudengels: aginnan 'beginnen', zodat Krogmann (1943/1947, p. 138-140) Oudengelse invloed meende te kunnen bespeuren. Gysseling verzet zich daar tegen: de h wijst duidelijk naar het Zuidwest-Nederlands. Juist in het Zuidwestelijke Nederlands vindt men zeer veel gemeenschappelijkheden met het Engels. De u van hagunnan is ouder dan het Middelnederlands (Caron 1963, p. 256). Schönfeld (1933, p. 4) vindt het "aannemeliker" hier een ingveaonisme aan te nemen. Op 't eerste gezicht lijkt de vorm *agunnan een angelsaksische vorm met een oud an- in plaats van een normaal -en, omdat het prefix a- uit on- juist in dat dialect bij dit werkwoord voorkomt.hebban ¶
hebben. Volgens Gysseling (Corpus II, 1, p. 128) blijkt uit de werkwoordsvorm derde persoon meervoud hebban, dat het versje Nederlands is. In het oudengels zou deze vorm habbaÞ, in het Oudfries hebbath of habbath en in het Oudnederduits zou het hebbiad of habbiad zijn geweest. Hij volgt hier Schönfeld die nog opmerkt dat 'oonfrk. vormen, die weliswaar van hebben niet zijn overgeleverd, maar in 't algemeen op -unt uitgaan. In onze vorm is de t reeds verdwenen' (1933, p. 2; met een verwijzing naar Van Helten, Die Altostniederfränkischen Psalmenfragmente II, par. 91, 103 en 121). Quack (1997, p. 55) merkt op dat de voltooide tijden niet met hulpwerkwoorden werden uitgedrukt, maar met het voorvoegsel gi-, dus: gesag ' ik heb gezien'. In de Wachtendonkse Psalmen komt slechts eenmaal een hulpwerkwoord voor: faruurt heuit 'heeft kwaad gedaan' (Ps. 73,3). En dan is er dit zinnetje met Hebban ... (h)agunnan. In de Leidse Willeram komen veel constructies met het hulpwerkwoord hebben en ook met zijn juist veelvuldig voor (zie Quack 1997, p. 62 [geschreven door Van der Horst]), zoals met hebben: Wanda thiu heizza sunna hauet mir benoman mino scona (LW 10,3; 'want de hete zon heeft mij benomen mijn schoonheid') en met zijn: An themo sconan gewidere so sin nu gewassen flores uittutum (LW 39,9; 'door het mooie weer zijn nu gegroeid (de) bloemen der deugden').Hic ¶
ik. Zie over de h: hagunnan. Hier sprake is van "prothese van h" want anders is de afwijking van het Latijn, dat ego heeft onbelangrijk, volgens Schönfeld (1933, p. 4). Het ligt dus voor de hand om voor hi(c) = ic te lezen.hinase ¶
behalve, eig. het-en-zij, vgl. hit hesi in een Brugs stuk uit 1290 (in Corpus I, p. 962). Volgens Gysseling (t.a.p.) is de vorm hit in plaats van het zuidwestelijk, volgens Schönfeld (1933, p. 5) is deze vorm ingvaeoons, te vergelijken met oofri. hit ne sē. Een oude vorm hit in plaats van het is in het dertiende-eeuwse West-Vlaams bekend. De assimilatie van de t voor de volgende n komt in het dertiende-eeuwse Brugge voor. Het tweede lid na, met ogm. ai, moet de versterkte ontkenning zijn, die met de ingvaeoonse a uit het ags. en ofri. bekend is. Het derde lid sē (ags. sí, síe) is alleen in het ofri. overgeleverd.nestas ¶
nesten. De meervoudsvorm nestas is volgens Gysseling (Corpus II, 1, p. 128) te vergelijken met de talrijke relicten van de uitgang -s bij mannelijke eenlettergrepige woorden, waarbij zich ook onzijdige woorden hebben aangesloten, in het West-Vlaams, vooral het ouder West-Vlaams (b.v. dycs, pits, broods, zwyns). Naar het zuidwesten toe lijken deze woorden in aantal toe te nemen (b.v. te Calais: aels, houcs, vagts (Corpus I, p. 1915-1921). Volgens Quack (1997, p. 48) was het s-meervoud in het Oudnederlands zeldzaam, maar "Hier verschijnt dus de uitgang zelfs bij het onzijdige zelfstandig naamwoord!" schreef hij, maar het s-meervoud van nestas kan verklaard worden omdat nest in het West-Vlaams ook als mannelijk woord voorkomt. Schönfeld (1933, p. 2) vond bij Mansion (Oud-Gentsche Naamkunde, p. 281) enkele meervoudsvormen op -as in het oud-Gents: geldindas (lees: *geldingas) en Grifningas, overigens naast -a, zoals Sclota. De vorm -s is Ingweoons, die op -a is oonfrk. De -s was kennelijk "in de alleroudste tijden" al in de Zuid-Nederlandse dialecten verspreid en die vaststelling "is een goede steun voor hen, die menen, dat de ndl. pluralis op -s van germ. oorsprong is".nu ¶
nu.olla ¶
alle. De vorm wijst naar het Zuidwestnederlands (Gysseling t.a.p.). In de 13e eeuw komt ol nog voor te Roeselare en in de vormen ol en ols te Brugge en nog ols te Sint Omaars. Uit dertiende-eeuwse documenten blijkt dat te Veurne en Calais daarentegen al werd geschreven. Het verspreidingsgebied verschilt weinig met die van tegenwoordig. Ook thans is ol en ols te Brugge nog een algemene vorm en is ol in Frans-Vlaanderen door al verdrongen. Jacobs (Het West-Vlaamsch, p. 17 en 269) neemt de uitspraak ol reeds voor 900 aan. Schönfeld meent dat juist de overgang van a tot o voor -ll- zo kenmerkend is voor het West-Vlaams. De uitgang -a van olla wisselt een oorspronkelijke -e, zoals in het os. Alla naast alle. "Gewoonlijk verklaart men die als invloed van 't femininum", stelt Schönfeld, blijkens de hierbij geplaatste voetnoot gesteund door o.a. Van Helten.thu ¶
jij. Caron (1963, p. 256) meende dat de th van thu 'ouder dan het Middelnederlands is.unbida[t] ¶
wacht. Caron (1954, p. 66) stelt een reconstructie voor naar umbidan, event. unbidan, Mnl. ombiden (onbiden) 'wachten, verwachten, toeven, wachten op' . De u van unbidan is ouder dan het Middelnederlands (Caron 1963, p. 256).uuat ¶
wat.vogala ¶
vogels. Gysseling (t.a.p.) wijst hier naar de bijnaam Vogal te Oudenburg. De eerste svarabhaktische a is volgens Schönfeld (1933, p. 3) niet vreemd, want in het oud-Gents zijn er meer van die vormen te vinden, zoals Sumaringahem. Hij meent dat de meervoudsuitgang -a van vogala onder invloed staat van de -a van olla, wat een reden is dat hier de -a als meervoudsuitgang werd gebezigd, en niet de -as.
De oudnederlandse zin uit de elfde eeuw