[recensie van] Het dialectenboek 6: Van de Streek. De weerspiegeling van dialecten in familienamen. Onder redactie van Veronique De Tier en Ann Marynissen m.m.v. H. Brok. Groesbeek 2001.
In: Naamkunde 33 (2001), p. 97-109.
Van de Streek. De weerspiegeling van dialecten in familienamen. Onder redactie van Veronique De Tier en Ann Marynissen m.m.v. Har Brok. Groesbeek 2001: Stichting Nederlandse Dialecten, 416 p.; ill. (Het dialectenboek 6). ISBN 90-73869-06-4.
Op 17 maart 2001 werd te Bilzen de zesde editie van de tweejaarlijkse Nederlandse dialectendag gehouden. Het thema van deze dialectendag was 'dialect en familienaam', een onderwerp dat vele belangstellenden naar Alden Biesen, de voormalige commandorij van de Duitse Orde had doen komen. Deze belangstellenden werden 's ochtends onthaald op vier plenaire voordrachten. Magda Devos hield een inleiding over 'Het landschap in eigennamen', waarop ik hieronder nog terugkom. Daarna was nieuwslezeres Hennie Stoel aan de beurt met een bijdrage over namen van joden en niet-joden, over merkwaardige combinaties van namen en functies en opvallende namen in het algemeen, en over uitspraak en schrijfwijze van (buitenlandse) namen. Zonder meer een onderhoudend verhaal over namen, maar het had niets met dialect te maken. De bijdrage van sportjournalist Jan Wauters daarentegen had alles met dialect te maken, maar juist weer niets met naamkunde. In een prachtig betoog liet hij zien dat met het opgroeien de taal van de wereld om je heen als het ware met je meegroeit, van het plaatselijke dialect tot een algemeen soort standaardtaal. De ochtend werd besloten door Ann Marynissen, die in haar bijdrage 'Dialecten en familienamen: een afspiegeling van elkaar?' aan de hand van een aantal voorbeelden sprak over de verhouding tussen familienamen en dialectverschijnselen. 's Middags waren er allerlei werkwinkels, in algemeen beschaafd Nederlands workshops genoemd, waaraan men deel kon nemen.
Op deze zelfde dag werd ook het Dialectenboek gepresenteerd, dat traditioneel de Nederlandse dialectendag vergezelt. In dit zesde Dialectenboek zijn, behalve de plenaire voordrachten van die dag, bijdragen opgenomen over alle regio's van het Nederlandse taalgebied met betrekking tot de weerspiegeling van het dialect in de plaatselijke familienamen. Het boek wordt besloten door een Wegwijzer Nederlandse Naamkunde van de hand van Ann Marynissen en een Wegwijzer Nederlandse Dialectologie door Ton van de Wijngaard.
De eerste vier bijdragen zijn gerangschikt in de volgorde waarin de sprekers in de ochtendsessie aan de beurt waren. De lezingen van Hennie Stoel en Jan Wauters staan dus tussen die van Magda Devos en Ann Marynissen in. Ik vind dat niet zo geslaagd, omdat de bijdragen van Stoel en Wauters weliswaar beide zeer onderhoudend en lezenswaardig zijn, maar met het eigenlijke onderwerp slechts zijdelings verband houden. Liever zou ik gezien hebben dat deze bijdragen hetzij helemaal vooraan, hetzij helemaal achteraan de bundel een plaatsje hadden gekregen. Nu vormen ze samen een wig tussen de inleidende bijdragen van Magda Devos en Ann Marynissen.
De bijdrage van Magda Devos draagt de titel 'Het landschap in eigennamen'. Na een korte inleiding over familienamen in het algemeen, beperkt zij zich tot de categorie van de woonplaatsnamen, meer bepaald tot de terreinnamen van het type Van Acker, Van den Bos, Van der Heide. Achtereenvolgens komen namen afgeleid van benamingen voor stukken natuurland (onder andere heide, veld, woestijn; broek, moer), van benamingen voor stukken cultuurland (onder andere akker, kouter; beemd, meers; briel, pas, ooi) en van benamingen voor bospercelen (onder andere bos, hout, lo, vorst, woud) aan de orde. Bij elk element wordt etymologische informatie gegeven en een uitleg om wat voor soort terreinbenaming het precies gaat. Daarna volgen voorbeelden uit de familienamenvoorraad, die laten zien op welke wijze deze terreinbenamingen in de huidige familienamen voortleven. Het is een helder, inzichtelijk betoog met goed gedoseerde informatie en veel voorbeelden, verluchtigd met een negental familienaamkaarten van de hand van Ann Marynissen.
In 'Dialecten en familienamen: een afspiegeling van elkaar?' gaat Ann Marynissen op zoek naar de concrete raakvlakken tussen familienamen en de dialecten. Deze liggen niet zozeer op het gebied van de spelling of de morfologie, maar eerder op dat van het lexicon en de fonologie. Het blijkt echter lang niet altijd zo te zijn dat het kerngebied van een bepaalde familienaam ook nog het kerngebied is van het dialectwoord waarop deze familienaam is gebaseerd. Ook op fonologisch gebied is de vraag interessant, in welke mate familienamen en de dialectwoorden waarop ze zijn gebaseerd met elkaar overeenstemmen. Door de familienamenkaart Bakker / Bekker naast de dialectenkaart bakker / bekker kan bijvoorbeeld vastgesteld worden dat in de Nederlandse dialecten de vorm met -a- terrein heeft gewonnen ten opzichte van de vorm met -e-. In Vlaanderen blijken de vocalen van de familienamen en de corresponderende dialectwoorden nauwer bij elkaar aan te sluiten dan in Nederland. De oorzaak kan hierbij gezocht worden in een verdergaande graad van standaardisering in het Noorden, waar erfelijke familienamen überhaupt pas later in zwang kwamen, maar ook in een grotere migratie dan in het Zuiden.
Aan de hand van verschillende voorbeelden wordt ten slotte de realisatie van ol / al + dentaal besproken. Achtereenvolgens betreft het de familienamen gebaseerd op een vorm van het bnw. oud, de patroniemen Wolter(s) / Wouters / Walter(s) en de familienamen samengesteld uit een vorm van het bnw. oud en het znw. hof. Hier blijkt dat er veel verschillende factoren zijn die het kaartbeeld kunnen beïnvloeden, onder andere migratie, ondoorzichtigheid van de naam en standaardisering van de spelling. Samen met de bijdrage van Magda Devos vormt het betoog een prima inleiding in (enkele aspecten van) de familienaamkunde.
Hierna volgen zestien bijdragen over verschillende dialectgeografische bijzonderheden door auteurs uit de desbetreffende provincie of streek. De bijdrage over Friesland is van de hand van Teake Hoekema en Siemon Reker en behandelt 'Mud, Tolsma, Soepboer en andere familienamen in Friesland'. De auteurs hebben gekeken of ze in het Friese familienamenbestand sporen konden vinden van de typisch Friese stemloze initiële fricatief, dat wil zeggen met een f- in plaats van een v-, of met een s- in plaats van een z-. Dit laatste (s- voor z-) blijkt vaker voor te komen dan het eerste (f- voor v-). Bij vergelijking met dezelfde familienamen in de provincie Groningen blijkt dat in Friesland de stemloze variant vaker voorkomt dan in Groningen. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat het gesproken Fries toch enige mate van invloed heeft uitgeoefend op de spellingswijze van sommige familienamen. Dat er ook namen in Friesland zijn die hun spellingswijze te danken hebben aan hypercorrectie wordt aangetoond aan de hand van de voorbeelden Talsma en Talstra, die geïnterpreteerd moeten worden als Tolsma en Tolstra. Verder komen aan de orde de wegval van de -r- voor -d, -n, -t, -l en -s, regionale variatie binnen het Fries en de etymologie van enkele typisch Friese familienamen.
Het is eveneens Siemon Reker die tekent voor de bijdrage over Groningen, getiteld 'Struizinga, Boykema en meer Groninger familienamen'. Hierin komt de geografische spreiding van de namen Beukema / Buikema in de provincie Groningen aan de orde, die beide varianten blijken te zijn van het patroniem Boykema. Ook wordt aandacht besteed aan de namen op -stra, die een parallel blijken te hebben in het hedendaagse dialect, waar inwonersnamen worden gevormd met het suffix -ster. Daarnaast komen namen met Groningse klinkervarianten aan bod (Diekema naast Dijkema, maar Nijboer naast Nieboer). Dat je bij het zoeken naar de etymologische herkomst van bepaalde familienamen rekening moet houden met een eventueel in de standaardtaal weergegeven dialectische naamsvorm, blijkt uit de familienaam Van der Paard, op zijn Gronings Van der Poard / Van der Poort, die duidelijk maakt waarom het hier geen paard (Gronings peerd) betreft. Evenals in de Friese naam Talsma / Talstra is hier dus sprake van hypercorrectie. Opvallend is ten slotte dat de in Groningen aangetroffen familienamen die zijn gebaseerd op een plaatsnaam bijna allemaal betrekking hebben op buiten de provincie zelf gelegen plaatsen.
Samen met Harry Slot schrijft Siemon Reker ook nog over 'Naarding, Smeenge, Meppelink en andere familienamen in Drenthe en Stellingwerven'. In hun bijdrage komen familienamen op -ing aan de orde, maar ook die op -iger 'inwoner van' en op -n-ge, zoals Haange, Luinge en Smeenge (uit Hadinge, Ludinge en Smedinge). Ook wordt de oppositie -ink versus -ing besproken. De familienamen op -ink blijken aan te sluiten bij een grote groep woorden op -ink, die overwegend in het (zuid)zuidwestelijke deel van Drenthe te vinden zijn. Ten slotte passeren nog de typisch Drentse namen Scheper, Knigge en Moek met hun etymologie de revue en familienamen die een buitenlandse plaatsnaam bevatten, met bijzondere aandacht voor de familienaam Bonder, die verwijst naar een inwoner van Bunde, bij Nieuweschans net over de Duitse grens gelegen.
De familienamen in de provincie Overijssel worden in twee bijdragen behandeld. In de kortste bijdrage van de bundel (6 pagina's inclusief de bibliografie) houdt Harrie Scholtmeijer zich bezig met West-Overijssel en Flevoland in 'Van Kökkien tot Bouw Kraggenburg: familienamen in West-Overijssel en Flevoland'. Hij informeert ons over de twee 'naamlagen' die er Overijssel te onderscheiden zijn, de dialectische voor onderling gebruik, en de officiële voor andere gelegenheden. In de officiële vorm van de familienamen in Overijssel is nauwelijks dialect waar te nemen. Weliswaar vertonen sommige namen umlaut van de lange vocaal (Leussink, Veurink, Weustink), een niet-gediftongeerde Westgermaanse lange -î- (Riezebos) of ongevocaliseerd -ol- (Holterman, Dommerholt), maar over het algemeen is de spelling algemeen Nederlands. Daarnaast stelt Scholtmeijer het verschijnsel bijnaam aan de orde. Vooral in plaatsen aan de voormalige Zuiderzee worden bijnamen nog veel gebruikt. Dat komt waarschijnlijk doordat het om kleine gemeenschappen gaat, waar bovendien slechts een beperkt aantal familienamen in omloop is. Eén pagina wijdt hij ten slotte nog aan familienamen op Flevoland, maar, zoals te verwachten is, hier zijn geen regiospecifieke namen, ook geen namen gebaseerd op toponiemen uit de provincie zelf, behalve dan die er al voor de drooglegging waren (Urk, Ens). Het pseudoniem Van Almere en de literaire naam Kraggenburg hebben dus geen naamgenoten in de echte wereld.
De andere Overijsselse bijdrage, van de hand van André Hottenhuis, gaat over Twentse familienamen: 'De nije, grote hofboer ziet de kleine, olde, oude, lutke kotters niet'. Hij verklaart onder andere het ontstaan van de Twentse namen met nije of olde / oude en met kleine / lutke of groot. Aan de orde komen verder klankvariatie binnen een- en dezelfde naam: Lochtenberg, Lichtenberg, Lechtenberg en Marsman, Morsman en het voorkomen van Twentse dialectwoorden in Twentse familienamen: Vleer 'vlier' in Vleerbos, Vleerkotte en Fleerholte; brummel 'braam' in Brummelhuis, Brummelaar en Brummelkamp. Ook Kieft 'kieviet' en Stork 'ooievaar' zijn in Twente voorkomende familienamen. Bij de beroepsnamen vinden we bijvoorbeeld Buter en Kuper als dialectbenamingen voor de kuiper. In familienamen is eveneens vaak de dialectvorm van een bepaalde plaatsnaam vastgelegd: Van Weersel (Weerselo), Van Riessen (Rijssen), Van Helderen (Hellendoorn). Veel Twentse namen passeren in deze bijdrage de revue.
De bijdrage 'Gelderland, een naamkundige en dialectologische lappendeken' is van de hand van A.H.G. Schaars. Hij constateert dat Gelderland zowel naamkundig als dialectologisch moet worden opgedeeld in het Gelderse rivierengebied, de Veluwe en de Achterhoek. Patroniemen op -sen concentreren zich in het rivierengebied, terwijl de namen op -ink voornamelijk in de Achterhoek worden aangetroffen. Schaars laat zien dat familienamen als Wuestenenk en Nijenes (en varianten) precies daar voorkomen waar de perceelbenamingen enk respectievelijk es gangbaar zijn. Ook voor de dialectwoorden zomp, pas en stroete geldt dat de familienamen die ermee gevormd zijn in hetzelfde gebied zijn te vinden als de woorden zelf. Van veel namen zijn er in Gelderland twee varianten in omloop, een in de dialectvorm en een vernederlandste: Grijsen / Grijzen naast Griesen / Griezen, Stoevenbeld naast Stuivenbelt en Huigen / Huygen naast Hugen. Aan de hand van drie kaarten worden kerngebied en verspreiding van de familienaam Thuus / Thuis (en varianten) getoond, maar de grens tussen -old en -oud, die door de Liemerse en Veluwse dialecten loopt, valt helaas niet zo'n uitgebreide kartografische behandeling te beurt. De auteur constateert dat de verspreiding van dialectwoorden met -old / -oud een andere is dan de verspreiding van familienamen met deze elementen en voegt hier een selectie aan toe van namen die het element hold / holt of houd / hout bevatten, voorzien van enig commentaar. Het is jammer dat hier nu juist de hulp van de kartografie niet is ingeroepen. De toevoeging van een of meer kaartjes zou hier voor veel meer duidelijkheid hebben kunnen zorgen.
Opvallend is dat de dichtst bevolkte streek van het hele gebied, Noord- en Zuid-Holland en Utrecht, in één bijdrage verenigd worden, waar alle andere provincies een eigen plaats krijgen en een provincie als Overijssel zoals gezegd zelfs met twee verschillende bijdragen vertegenwoordigd is. Omdat dit gebied in het Noorden al eeuwen toonaangevend is en daarom een grote aantrekkingskracht heeft uitgeoefend en nog uitoefent op mensen van elders, is de namenvoorraad hier minder specifiek dan in de overige provincies. Toch zijn er wel typisch Noordwest-Nederlandse familienamen en familienaamtypen aan te wijzen. Leendert Brouwer bespreekt in zijn bijdrage 'Specifieke familienamen in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht' een op het Nederlands Repertorium van Familienamen gebaseerde lijst van namen die in de genoemde provincies veelvuldig voorkomen, en in andere provincies niet of nauwelijks zijn aangetroffen. Achtereenvolgens komen aan de orde: familienamen die gebaseerd zijn op een toponiem (in Noord- en Zuid-Holland vaak zonder het voorzetsel van), korte onverbogen patroniemen (vooral aangetroffen in Noord-Holland, bijvoorbeeld Piet (< Pieter), Rem (< Remmert), Sier (< Zeger), Heijn (< Henrik), Kloos (< Nicolaas)), familienamen met het lidwoord den (vooral in Rotterdam en omgeving, bijvoorbeeld Den Dulk, Den Oudste(n)) en namen als Butter en Breur, waarbij de spellingswijze van de namen het plaatselijk dialect verraadt, waaruit ze zijn ontstaan. Met behulp van twee kaartjes illustreert Brouwer de verspreiding van het gebruik van het lidwoord den in de nominatief en de verspreiding van familienamen met het lidwoord den. Ook voor de woorden boter en broer waren dergelijke kaartjes informatief geweest tegenover kaartjes met de verspreiding van de familienamen Butter en Breur. Het is een goed gestructureerde bijdrage, met veel materiaal en veel informatie, zowel taalkundig, als etymologisch, als cultuur-historisch. Hier krijg je een mooi beeld van wat er eigenlijk allemaal bij naamkundig onderzoek komt kijken.
De Zeeuwse familienamen worden besproken door Jan Berns in zijn bijdrage 'Van Aalbrechtse en Breunesse: familienamen in Zeeland'. Hij constateert dat er in de meeste Zeeuwse familienamen weinig Zeeuws dialect valt waar te nemen en veronderstelt dat dit veelal bij de officiële vastlegging van de familienaam door de ambtenaren van de burgerlijke stand zal zijn weggefilterd. Morfologische en lexicale eigenaardigheden zijn echter wel in de familienamen bewaard gebleven. Typisch Zeeuws zijn bijvoorbeeld de patroniemen op -se. En passant blijkt dat er misschien nog eens een onderzoekje gewijd moet worden aan de etymologie van de voornaam Dingeman; Berns acht de etymologie van Van der Schaar onwaarschijnlijk. Er zijn echter ook wel wat bezwaren tegen de etymologie van Debrabandere en die van Berns zelf aan te voeren, maar het voert te ver om er hier uitgebreid op in te gaan. Ook vermeldt de auteur enkele familienamen die zijn gebaseerd op woorden uit de Zeeuwse woordenschat, inclusief een kaartje van de verspreiding van de familienaam (Van) Overdulve. Verder blijken er in Zeeland zelf maar weinig familienamen voor te komen die zijn gebaseerd op een Zeeuwse plaatsnaam; deze blijken voornamelijk buiten Zeeland voor te komen. Berns stelt vast dat er in de Zeeuwse familienamen over het algemeen zeker voldoende kenmerken zijn aan te wijzen om van een eigen Zeeuws karakter te spreken.
Piet Vos gaat in op 'Noord-Brabantse familienamen als Raaijmakers en Musters'. Hij maakt "een vergelijking tussen woorden die enigszins dialectisch gekleurd zijn en daarvan afgeleide beroepsnamen die terug te vinden zijn in familienamen in Noord-Brabant." (p. 221). Deze bijdrage is van het soort dat eigenlijk het best aansluit bij het onderwerp van de bundel. De auteur beperkt zich tot de dialectbenamingen voor het beroep van de wagenmaker (rade(n)maker en varianten) en dialectwoorden voor het begrip takkenbos (mutsaard en varianten). Uit vergelijking van de dialectkaart van de benamingen van de wagenmaker en de familienamenkaart Ramaker(s) / Rademaker(s) / Raaimaker(s) blijkt onder andere dat de naam Raaimaker(s) voornamelijk voorkomt in het gebied waar ook in het dialectwoord de intervocalische overgang van -d- naar -j- heeft plaatsgevonden. Naast het dialectwoord mutsaard heeft ook de metathesisvorm musterd zich een plaats in de familienamen verworven. Ook hier vinden we een kaartje van de verspreiding van de verschillende varianten van de dialectwoorden mutsaard / musterd. Daarnaast zijn kaartjes opgenomen van de verhouding tussen de familienamen Mutsaard(s) / Mutsers en de verhouding tussen de familienamen Musters / Mutsers. Hieruit blijkt onder andere dat het gebied, waarin metathesis -ts- > -st- in de familienamen Mustert, Musterd, Musters voorkomt, redelijk samenvalt met het gebied waar ook metathesis in het dialectwoord mutsaard wordt aangetroffen, maar dat er geen samenval is voor de variant waarin het suffix niet-gereduceerd is: Mutsaard(s), Mutsaers en varianten.
De provincie Limburg is vertegenwoordigd met twee bijdragen, een over Nederlands Limburg en een over Belgisch Limburg. Historisch gezien is hiervoor eigenlijk geen reden, want in de tijd dat de meeste familienamen ontstonden, was Limburg immers nog één geheel. De (Nederlandse en Belgische) Limburgers krijgen dus extra waar voor hun geld met twee hun taalgebied betreffende bijdragen. Ton van de Wijngaard behandelt de typisch Limburgse aspecten van de familienamen in Nederlands Limburg. Hierbij komt allereerst het veelvuldig voorkomen van namen in de genitiefvorm aan de orde, maar ook diverse klankverschijnselen als -oe- voor -ui-, secundaire umlaut, de Hoogduitse klankverschuiving en het voorkomen van de gevocaliseerde vorm -au- / -ou- in plaats van -al- / -ol-. Ook laat hij aan de hand van de benamingen voor de kruier en de wagenmaker zien dat sommige familienamen alleen zijn te verklaren vanuit de dialectwoordenschat. Ten slotte laat hij zien dat de in midden-Limburg geconcentreerde naam Pepels precies in dat gebied voorkomt waar pepel de gangbare dialectbenaming voor de vlinder is, waarbij het opvallend is dat de algemenere variant piepel niet tot een familienaam Piepels heeft geleid.
Met de familienamen in Belgisch Limburg houdt Rob Belemans zich bezig in zijn bijdrage '"Hoe schrijft Jang van Zjier van Zjef de Smeed zich?" Over Limburgers die niet naar Jan, Pier of Klaas genoemd zijn'. Achtereenvolgens behandelt hij een aantal typisch Limburgse patroniemen, de velarisering van -n tot -ng, familienamen die zijn afgeleid van woorden die inmiddels uit het dialect verdwenen zijn, dialectkenmerken en -klanken in Limburgse familienamen en plaatsnamen in Limburgse familienamen. Hierbij komen enkele aspecten aan de orde die ook in de bijdrage over Nederlands Limburg worden gesignaleerd. Doordat er meestal gebruik wordt gemaakt van andere voorbeelden is dit niet echt storend, maar het maakt wel dat je je afvraagt of er niet met iets meer moeite een samengevoegde, meer overzichtelijke bijdrage over de familienamen in Limburg samengesteld had kunnen worden.
Dit geldt overigens ook voor de bijdragen met betrekking tot de provincies Noord-Brabant, Vlaams-Brabant en Antwerpen. Als men aan de hand van dialectkenmerken naar de in deze regio's voorkomende familienamen gaat kijken, zal opvallen dat het steeds dezelfde verschijnselen betreft. In de bijdrage '"Zedde nen Antwerpenèèr of nie?" Familienamen in de provincie Antwerpen' van Miet Ooms wordt een aantal Brabantse klankverschijnselen aan de orde gesteld die zowel in het Antwerpse dialect als in de Antwerpse familienamen zijn aangetroffen. Hierbij worden op basis van een bestand met typisch Antwerpse familienamen vooral fonologische kenmerken uit de Brabantse (Antwerpse) woordenschat besproken. Het betreft onder andere weglating of hypercorrecte toevoeging van de h- in de anlaut, -r-metathese, ontronding en de uitgang -ng. Daarnaast komt ook een lexicologisch kenmerk aan de orde, namelijk de familienamen met het element wouwer 'vijver'. Hoewel het gangbare woord voor 'vijver' in de provincie Antwerpen tegenwoordig vijver is, mag op grond van het voorkomen van de familienaam Vandewouwer in de hele provincie Antwerpen geconcludeerd worden dat wouwer in deze provincie oorspronkelijk de algemene benaming moet zijn geweest. De bijdrage wordt afgesloten met een opmerking over oude uitheemse familienamen, waarschijnlijk van uit Duitsland afkomstige joden die zich reeds lang geleden in en om de stad Antwerpen gevestigd hebben, wier namen, hoewel verbasterd, hun Duitse herkomst nog verraden. Voorbeelden van zulke namen zijn Wajnsztok, Najman, Wajsbaum, Szajnsznajder en Finkelsztejn.
'De 430 frequentste Vlaams-Brabantse familienamen' worden behandeld in de bijdrage van Jacques van Keymeulen. Hij splitst deze namen op in afstammingsnamen, woonplaats- en herkomstnamen, namen naar beroepen en bezigheden en namen naar opvallende eigenschappen. Binnen deze categorieën bestaan weer subcategorieën, waarin de namen (voor zover mogelijk) worden ingedeeld en van een zeer beknopte etymologie voorzien, op grond van het standaardwerk van Frans Debrabandere over familienamen. De paragrafen worden meestal voorzien van een korte uitleg over en de opvallende kenmerken van (de namen in) de betreffende (sub)categorie. Zo blijken de Vlaams-Brabantse familienamen, die zijn gebaseerd op een plaatsnaam, voor het grootste deel afkomstig te zijn uit Brabant of Antwerpen, wat erop wijst dat er geen grootscheepse emigratie heeft plaatsgevonden. Dat er vanuit Noord-Frankrijk en Wallonië wel immigratie heeft plaatsgevonden, wordt aangetoond door het voorkomen van een aantal familienamen die zijn gebaseerd zijn op een Noord-Franse of Waalse plaatsnaam. Tussendoor wordt regelmatig plaats ingeruimd voor dialectologische opmerkingen bij de gepresenteerde (sub)categorieën.
Veronique De Tier is op zoek gegaan naar 'Dialectsporen in Oost-Vlaamse familienamen'. Op basis van een lijst met voor Oost-Vlaanderen specifieke familienamen heeft zij een selectie gemaakt van namen waarin dialectinvloed kan worden vastgesteld. Zij heeft zich beperkt tot die familienamen die verband houden met dieren of planten en beroepsnamen, met hier en daar een zijspoor naar andere namen. Er komen voornamelijk lexicale kenmerken aan de orde, waarbij de relatie wordt getoond tussen een bepaald dialectwoord en de met dat woord gevormde familienaam, zoals in de Oost-Vlaamse familienaam Herteleer, gevormd met de, slechts in een deel van Oost-Vlaanderen voorkomende, benaming voor de haagbeuk. Daarnaast komen verschillende fonologische verschijnselen aan de orde, bijvoorbeeld -ie- voor -ee- in familienamen als Vandenabielle en Vanalderwiereldt en de oppositie -o- / -u- in De Wolf / De Wulf.
De bijdrage van Reinhild Vandekerckhove gaat over 'West-Vlaamse klanken in West-Vlaamse namen'. Aan de hand van een aantal voornamelijk in West-Vlaanderen voorkomende familienamen behandelt zij verschillende typisch West-Vlaamse dialectverschijnselen, zoals de hypercorrecte h in Liefhooghe en Hongenae, de spelling -ou- voor -oe- in de naam Vandenbroucke, de spelling -u- voor -o- in Vandenbussche en de spelling -u- voor -i- in de naam Deruddere. Een elftal kaartjes illustreert het geheel.
In 'Nederlandse familienamen in Noord-Frankrijk' geeft Hugo Ryckeboer een globaal overzicht van de Nederlande familienamen in Frans-Vlaanderen. Zijn materiaal is afkomstig van de Franse familienamen-website
www.notrefamille.com. Allereerst behandelt hij de top-tien van Nederlandse namen in Frankrijk, met op de eerste drie plaatsen de familienamen Devos, Maes en Declercq. In de daaropvolgende paragraaf 'Waar zijn de Nederlandse namen oorspronkelijk thuis in Noord-Frankrijk?' geeft Ryckeboer een overzicht van wat er in de loop van de tijd in het noorden van Frankrijk is gebeurd op talig gebied en tot wanneer de verschillende gebieden Nederlandstalig waren. Hij onderscheidt in Noord-Frankrijk vier soorten Nederlandse familienamen: 1. oude regionale Picardische namen die teruggaan op historisch Nederlandse namen of woorden (Dubreucq, Debreucq, Pauwel); 2. regionale Franse of Picardische familienamen die in het Vlaamssprekende deel van Noord-Frankrijk vernederlandst zijn (Ryckeboer < Dericquebourg, dit is de plaats Richebourg bij Béthune); 3. vanouds autochtone Nederlandse namen die in Frans-Vlaanderen of Vlaams Artesië bewaard zijn gebleven en vandaar regionaal zijn uitgezwermd; 4. niet-autochtone Nederlandse namen die vanaf de tweede helft van de 19e eeuw door immigratie vanuit West- en Oost-Vlaanderen in Rijsel en omgeving zijn terechtgekomen, bijvoorbeeld Demeulemeester, Dewinter, Vandenbulcke en Vandeputte.Op de vanouds autochtone Nederlandse namen gaat Ryckeboer wat uitgebreider in. Hij geeft voorbeelden van familienamen die van plaatsnamen zijn afgeleid die nu in Noord-Frankrijk liggen, bijvoorbeeld Vangrevelinghe (< Grevelingen/Gravelines), Vanbaelinghem (bij St.-Omaars). Ook de familienaam Pyckaert die van Frans Picard 'Picardiër' is afgeleid wordt hier vermeld. Eveneens gaat hij in op familienamen met lexicale eigenaardigheden, bijvoorbeeld Debaevelare (= babbelaar, met b/v-wisseling), Decroocq (< Mnl. crook, croke 'krul'), Nieuwjaer en Degaey en Despicht (beide teruggaand op Nederlandse vogelnamen). Namen met fonologische dialecteigenaardigheden zijn bijvoorbeeld Quaeybeur (met y- < ghe-), Schapman (met -a- < -aa-) en Mullemeester (met -u- < -eu-). Het weglaten van het bepaald lidwoord in de familienaam is een morfosyntactische dialecteigenaardigheid die typerend is voor de spreektaal van West-Vlaanderen, in Noord-Franse familienamen als Spicht, Turcq en Schrevel is deze eigenaardigheid ook officieel vastgelegd; de Vlaamse pendant van deze namen luidt Despicht, Deturck/Leturck en Deschrevel. Hij besluit met een paragraaf over uitspraak en spelling van de Nederlandse familienamen in Noord-Frankrijk. Van oorsprong Nederlandse familienamen worden in Noord-Frankrijk uiteraard op zijn Frans uitgesproken en daaruit kunnen vervolgens verbasterde namen ontstaan als Vermèch (< Vermeersch), Verbèke (< Verbeke) en Béhague (< Behaeghe).
De bundel Van de Streek is er een van het soort waar elke liefhebber van naamkunde en van dialectologie iets van zijn gading in kan vinden. De regionale verscheidenheid van de bijdragen is groot en het hele taalgebied wordt globaal genomen afgedekt. Een bezwaar is echter dat een aantal bijdragen noodgedwongen blijft steken in een elementaire behandeling van een aantal (op zich interessante) aspecten van regiospecifieke familienamen. Dat wil niet zeggen dat de bijdragen niet belangwekkend zijn, maar soms bekruipt je toch het verlangen te weten hoe het met sommige namen in groter verband gesteld is. Zoals Jacques van Keymeulen in het slot van zijn bijdrage opmerkt: "De meeste aangehaalde klankverschijnselen zijn niet typisch Brabants, maar komen in een groter gebied voor" (p. 301). Het was misschien zinnig geweest om zowel de familienamen in Noord-Brabant, Antwerpen en Vlaams-Brabant als de familienamen in Belgisch en Nederlands Limburg in één bijdrage te behandelen, zoals wel met de familienamen in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht gebeurd is.
Wat verder opvalt is dat een deel van de (Noord-Nederlandse) auteurs gebruik heeft gemaakt van het Nederlands Repertorium van Familienamen, gebaseerd op de volkstelling van 1947, in plaats van de uit 1993 stammende lijst van telefoonabonnees die deel uitmaken van het bestand waar Ann Marynissen mee werkt en waaruit zij voor verschillende bijdragen lijsten met regiospecifieke namen heeft samengesteld. In de bijna zestig jaar die tussen deze twee verzamelingen zit, is er wel het een en ander aan de mobiliteit van de mensen veranderd (iets wat overigens door Piet Vos ook wordt opgemerkt in zijn bijdrage over Noord-Brabantse familienamen) en het zou overzichtelijker zijn geweest als iedereen van hetzelfde bestand zou zijn uitgegaan. Niemand verbiedt je dan om vervolgens een historische uitstapje naar de lijst van 1947 te maken.
Ook komt het regelmatig voor dat verschillende auteurs dezelfde verschijnselen en namen bespreken. Zo worden we tweemaal vergast op een (beknopte) uitleg over het ontstaan van de familienaam Van Oortmerssen (op p. 161 en op p. 186) en komt zowel op p. 244-245 als op p. 262 de Limburgs-Brabantse variatie binnen de familienaam Rademakers aan de orde. De enorme hoeveelheid materiaal die in de bijdragen verwerkt is, leidt soms tot een wat opsommerig geheel, maar het is natuurlijk ook juist die veelheid van materiaal die ervoor zorgt dat iedereen wel een bekende naam uit zijn eigen streek kan vinden. In dat verband is het wel jammer dat een index van familienamen ontbreekt. Ook een index van de in ruime mate aanwezige kaartjes, voor de overgrote meerderheid vervaardigd door Ann Marynissen, zou een nuttige aanvulling zijn geweest. Daarnaast was een grote bibliografie aan het eind van het boek misschien handiger geweest dan kleine bibliografietjes na elke bijdrage, temeer daar de auteurs voor een groot deel gebruik maken van dezelfde standaardwerken. Dat zou ook voorkomen hebben dat sommige titels op verschillende manieren in de diverse bibliografieën terecht komen, zoals nu het geval is. Hoe meer coherentie in een bundel, hoe prettiger deze leest. Ten slotte zijn er veel kleine onzorgvuldigheden in de tekst blijven zitten. Zo staan bijvoorbeeld de laatste drie regels van p. 164 herhaald bovenaan p. 165. Verder worden, om enkele voorbeelden te noemen, zinnen niet altijd afgesloten met een punt (p. 312) en staan woorden ten onrechte cursief (p. 239: plaatsgevonden) of slechts gedeeltelijk cursief (p. 164: Pluimers, p. 312: groengorselaar). Literatuurverwijzingen staan soms in klein kapitaal (p. 305), maar soms (op dezelfde pagina) ook niet, ze worden nu eens voorzien van jaar van uitgave (p. 305), dan weer niet (p. 307).
Het is echter niet de bedoeling een negatief oordeel te vellen over deze bundel. Het is een leuke, zeer diverse bundel, waarin allerlei aspecten van naamkunde en dialectologie aan de orde komen, bedoeld voor een breed publiek van geïnteresseerde leken en voor deze doelgroep is hij prima geschikt. Het is een bundel die, als het goed is, in velen de lust tot het nader onderzoeken van regiospecifieke en andere familienamen zal opwekken. Uit de bijdragen blijkt in elk geval unaniem dat er nog genoeg onderzoeksmateriaal klaarligt om aangevat te worden.