Nederlands - nl-NLEnglish (United Kingdom)

Neologisme van de week

Wegens onderhoudswerk-
zaamheden is het 'Neologisme van de week' tijdelijk niet beschikbaar.

Nieuwe woorden in het WNT: drie delen met woorden die nog niet eerder in het WNT behandeld waren, vormen samen de Aanvullingen, verschenen in 2001. De artikelen zijn gebaseerd op materiaal dat decennialang verzameld werd voor een toekomstig supplement. Dit supplement werd als Aanvullingenproject gerealiseerd en moest zich beperken tot geheel nieuwe artikelen terwijl het actualiseren van bestaande, soms verouderde artikelen achterwege gelaten moest worden. Toch realiseerde men hiermee een belangrijke actualisering van het WNT door de tijdgrens op 1976 te stellen en vooral 20ste-eeuws materiaal het volle pond te geven. Zo werden onder meer moderne romans en gedichten, kranten, reclamemateriaal en ambtelijke stukken verwerkt, waarin nieuwe woorden voorkomen, niet zelden om nieuwe zaken aan te duiden.

Talrijke woorden uit de moderne omgangstaal vonden nu een plaats in het WNT (tussen haakjes staat steeds de oudste vindplaats): balpen (1961), cowboy (1902), gedagzeggen (1927), groepsphoto (1940), hufter (1871), onderbroekenlol (1972), sexbom (1961), zelfdiscipline (1954).
Maatschappelijke ontwikkelingen weerspiegelen zich in bedrijfsleven (1938), girorekening (1925), huwelijksbureau (1933), ziektekostenverzekering (1952-’53)
en de toename van het verkeer in bermtoerisme (1961), eenrichtingsverkeer (1937), kettingbotsing (1957) en parkeermeter (1962).
Moderne media zijn vertegenwoordigd in cassetterecorder (1973), hifi (1962), kleurentelevisie (1962), radiostilte (1947), verfilmen (1931);
wetenschap en techniek in breimachine (1864), darwinisme (1873), dieptepsychologie (1928), holoceen (1927), kernenergie (1961)
en de kunst in barok (1865), cantus firmus (1947), eenakter (1920), rondboogvenster (1913) en saxophoon (1871).
Woorden uit meer ongewone talen ten slotte: balalaika (1847, russisch), geiser (1834, ijslands), kibboets (1948, modern hebreeuws), nirvana (1890, oud-indisch), ukulele (1929, hawaiaans).

Ook oud woordmateriaal werd aangevuld, vooral uit de vreemde woordenschat, die in de oudste WNT-delen wat karig bedeeld was: consumptie (1583), eensgelijks (1585), frustratie (1624), hoogfeest (1790), meditatie (c. 1505), rigoureus (1503). Vaak hebben deze woorden nu een andere betekenis.
Speciaal van belang zijn uitgestorven woorden zoals de volgende (met in dit geval tussen haakjes de laatste vindplaats): barmhartelijk (1768), fondatersse (1790), garnier (1729), gespreken (1598), inobediënt (1591), suikerei (1599), rigoureuselijk (1722).

Men kan in de Aanvullingen voorts vinden wanneer bepaalde verbindingen het eerst (althans in ons materiaal) werden aangetroffen: de schaal van Fahrenheit (1736), labiel evenwicht (1885), aan den boemel zijn (1896), Haagsche bluf (‘opschepperij’ 1934; ‘schuimig nagerecht’ 1954), je van het (1963), met iemand in den clinch liggen (1974).

Bestaande WNT-artikelen zijn niet in de Aanvullingen geactualiseerd. Als men het artikel HAGELSLAG uit 1897 opzoekt, geeft dat alleen maar de ‘letterlijke’ betekenis: het neerslaan van hagel. De chocoladekorrels waar wij nu in de eerste plaats aan denken als we over hagelslag spreken, zijn wel in de WNT-citaten van andere artikelen te vinden, het eerst in een citaat uit 1949.

De Aanvullingen kennen twee typen artikelen:
1. Een geheel nieuw artikel met (dus) een nieuw trefwoord, dat een gewone structuur vertoont, bijv. BABY, GASKAMER, GOULASH, SUBSTRAAT, ZOOJUIST.
2. Een artikel bij een reeds eerder in het WNT opgenomen trefwoord, waarbij nu alleen nieuwe subtrefwoorden (opnoemers) worden gegeven. Deze aanvullende artikelen hebben een afwijkende structuur, want de reguliere artikelinhoud ontbreekt. Bijv.:
Naast HALF (I) in het WNT-Hoofdwerk (volledig artikel uit 1897) staat HALF (I) in de Aanvullingen, een trefwoord met uitsluitend subartikelen, o.a.:
Half-automatisch (citaten 1934-1937)
Half-om (2 betekenissen) (citaten 1941-167)
Halfzuil (citaten 1865-1958)
N.B.: HALFTINT en HALFTOON zijn als zelfstandig artikel behandeld, omdat er meerdere betekenissen waren te onderscheiden met veel illustratief citatenmateriaal.

De Aanvullingen werden vervaardigd in de periode 1996-1999 door de twaalfkoppige redactie van het WNT, onder hoofdredactie van prof. dr. A. Moerdijk.