|
Het taalkundig begrip Oudnederlands is vanuit verschillende invalshoeken te definiëren. Het heeft zowel een ruimtelijk als een chronologisch aspect. Als terminus post quem voor de periode waarin de taal gesproken werd die we als Oudnederlands karakteriseren, neemt men over het algemeen het jaar 500 aan. Dit jaartal markeert het einde van de Westgermaanse taaleenheid; het is de tijd waarin de gevolgen van de val van het Westromeinse rijk in 476 na Chr. hun invloed op de taalsituatie beginnen te krijgen. De overgang van Oudnederlands naar Middelnederlands krijgt zijn beslag in de loop van de 12e eeuw. Het is een proces dat zich uiteraard niet van de ene dag op de andere in het hele taalgebied voltrekt. Het zgn. Munsterbilzense vers Tesi samanunga vvas edele. unde scona uit 1130 wordt gewoonlijk als de laatste schriftelijke taaluiting in het Oudnederlands beschouwd. Uit de periode 1130-1200 zijn alleen namen en losse woorden bekend. Deze dragen overigens grotendeels al een Middelnederlands karakter. Omdat het Oudnederlands in temporele zin de voorganger van het Middelnederlands is, kan men als werkhypothese poneren, dat het Oudnederlands globaal in hetzelfde gebied gesproken werd als het Middelnederlands, d.w.z. in het huidige Nederland, m.u.v. Groningen en Friesland, in België en in het noordelijke deel van Frankrijk. In de 5e eeuw lag de grens tussen het Romaans en het Westgermaans waarschijnlijk ongeveer ter hoogte van Parijs. Een groot deel van het door de (Westfrankisch sprekende) Franken in bezit genomen territorium (Frankrijk) is echter tijdens de Oudnederlandse periode weer geromaniseerd en het Westfrankisch is uit dit gebied daardoor nagenoeg verdwenen. Ons resten slechts een aantal brokstukken, zoals de zgn. Lex Salica, glossen in Merovingische en Karolingische oorkonden, alsmede de Reichenauer glossen die veel gelatiniseerd Frankisch taalmateriaal bevatten. Daarnaast bestaan er opvolgers van veel Oudnederfrankische leenwoorden in het Oudfrans. Een principiële vraag hierbij is echter of dit Westfrankisch één taal vormde met het Oudnederlands of dat het mogelijk tot het Oudhoogduits gerekend moet worden. Door het vroegtijdig verdwijnen van het Westfrankisch is immers moeilijk vast te stellen of de Hoogduitse klankverschuiving zich bijvoorbeeld in deze taal voltrokken heeft. Hoewel hier nog steeds discussie over is, gaat men er over het algemeen van uit dat dit niet het geval is geweest en dat het Westfrankisch zich daardoor aansluit bij het Oudnederlands en tot dezelfde taal gerekend mag worden. Een eventuele grens tussen het Westfrankisch en het Oudnederlands is vanuit onze tijd niet meer waar te nemen. Hiernaast heeft het begrip Oudnederlands ook een materieel aspect. Het lijdt geen twijfel dat de bevolking in de lage landen aan de zee in de periode van 500 tot 1200 een vorm van Germaans sprak, maar bewijzen daarvoor zijn alleen via te dateren schriftelijke overleveringen te verkrijgen. Afgezien van toponiemen, toenamen en glossen is er uit die tijd nauwelijks een onbetwistbaar Oudnederlandse tekst overgeleverd. In deel II-1 van het Corpus van Middelnederlandse teksten heeft M. Gysseling al het hem bekende als Oudnederlands beschouwde materiaal van enige omvang opgenomen of gesignaleerd, gedateerd en gelocaliseerd. Toponiemen en toenamen werden in zijn editie niet opgenomen, glossen maar gedeeltelijk. Met betrekking tot diverse in deze uitgave opgenomen teksten bestaat discussie over de taal waarin deze geschreven zouden zijn. De Leidse/Egmondse Willeram is alleen oppervlakkig genederlandiseerd; de oorspronkelijke Hoogduitse tekst is nog nadrukkelijk in de spelling aanwezig. Men kan zich hier echter op het standpunt stellen, dat de Egmondse bewerker zich tevreden heeft gesteld met het wegwerken van onverstaanbare of onbegrijpelijke tekstelementen en dat de rest, zeker waar het de woordenschat betreft, ook voor Oudnederlands kon doorgaan. Ook bij de kleinere teksten, als de Utrechtse doopbelofte, de paarden- en wormbezwering of de Prudentiusglossen speelt steeds de vraag of dit Oudnederlands, danwel Oudsaksisch, resp. Oudengels is. Zelfs ten aanzien van het boegbeeld van het Oudnederlands, het bekende zinnetje Hebban olla uogala ... is onlangs nog een mogelijk Oudkentse oorsprong geopperd. De niet door Gysseling opgenomen zgn. Rheinische Reimbibel laat een mengeling zien van Nederfrankische en Rijnfrankische elementen. In overleg met de Begeleidingscommissie heeft de redactie besloten al deze teksten, samen met de rest van het bijeengezamelde materiaal, toch op te nemen in de materiaalverzameling voor het ONW en telkens zorgvuldig te vermelden welke bezwaren er eventueel aan een tekst kleven. De redactie gaat er daarbij van uit dat op deze manier het overgeleverde Oudnederlands in ieder geval wordt opgenomen, al is dit niet in alle gevallen even zuiver te isoleren. |



